‘Granvelle, zojuist tot kardinaal benoemd, verschijnt in gloednieuw kardinaalspurper in de Raad van State. Hij loopt naar de stoel van Willem van Oranje en zegt: “Mon cousin, u zit op mijn plaats!” De landvoogdes Margaretha van Parma neemt van angst een paar slokken water. De andere leden van de raad kijken elkaar aan. Zonder een woord schoof Oranje zijn stoel iets naar achteren, stond op, liep om de lange tafel heen en nam plaats tegenover de landvoogdes. Hij knikte kort. Granvelle had zojuist de prins van Oranje afgetroefd. Er was een andere orde ontstaan. Een ambtenaar had de aristocratie voorbijgestreefd.