De deductie van Johan de Witt Op 5 augustus 1654 hield Johan de Witt een lange toespraak tot de Staten van Holland. Met de woorden: 'Want nademael soodanighe Hoofden dickmaels hebben hare particuliere interessen, van d'interessen van den Staet discreperende, jae somwijlen oock 't ghemeenè beste contrariërende [ ... ]'hield hij zijn gehoor voor dat vorsten en staten vaak tegengestelde belangen hebben. Daarom, zo betoogde De Witt, zouden de Staten van Holland geen prins Van Oranje tot stadhouder of kapitein-generaal benoemen.