In de herfst van zijn leven componeert Johann Sebastian Bach nog een briljante serie composities. De aanleiding voor het schrijven van deze complexe muziekstukken is een bezoek dat hij in 1747 brengt aan de Pruisische koning Frederik de Grote. Het contrast tussen de oude kerkmusicus Bach en de jonge verlichte vorst kan niet groter, dus hoe moeten we dit muzikale geschenk aan de koning interpreteren?