‘Vier nachten zijn er inmiddels verstreken en ik zie hoe de lichamen zich aftekenen, zichtbaar worden, in de dageraad die nogmaals de aardse hel komt opklaren. Barque lijkt, nu hij verstijfd is, kolossaal. Zijn armen liggen strak langs zijn lichaam, zijn borst is ingedrukt en zijn buik uitgehold als een kom. (...) Barque en Biquet hebben kogels in hun buik gekregen, Eudore in zijn keel. Door het verslepen en vervoeren zijn ze nog meer toegetakeld. De dikke Lamuse was leeggebloed en had een gezwollen en gerimpeld gezicht waarvan de ogen steeds dieper in hun kassen wegzonken, het ene iets meer dan het andere. (...) Zijn rechterschouder is door meerdere kogels versplinterd en zijn arm zit alleen nog maar vast met wat repen stof van de mouw en de touwtjes die we eromheen Er begint een pestlucht te hangen rond de stoffelijke resten van deze wezens met wie we op zo’n vertrouwelijke manier hebben geleefd en zo’n lange tijd hebben geleden. Wanneer we ze zien, zeggen we: “Ze zijn alle vier dood. ”Maar ze zijn zo misvormd dat we niet echt denken: “Dat zijn zij.” En pas wanneer we ons van deze bewegingsloze monsters afwenden, voelen we de leegte die er ontstaan is tussen ons en de gemeenschappelijke dingen die we niet langer samen delen.’